columns

De verkiezingen, wordt ons pensioenstelsel er beter van?

Op 15 maart is het zover. Dan gaat het feest van de democratie los en mogen we allen onze vertegenwoordigers in de Tweede Kamer aanwijzen. Mijn vroege herinneringen aan verkiezingen gaan terug naar de strijd tussen Van Agt, Wiegel en Den Uyl. Dat was een duidelijke keus. Je wist waar je bij hoorde en waar de ander bij hoorde. En als je het even niet wist, kon je altijd een uitstapje wagen naar bijvoorbeeld een partij als D’66 (toen schreef je het nog zo) of bijvoorbeeld de PPR.

Bij de komende verkiezingen kunnen we kiezen uit bijna dertig partijen. Zetelaantallen van ver boven de dertig – tot voor kort niet ongebruikelijk - komen nu in de peilingen niet voor. Het politieke landschap ziet er heel anders uit en de kiezer staat voor moeilijke afwegingen.

Ik heb niet de illusie dat er ook maar één kiezer is die zijn stem in het kieshokje laat bepalen door het standpunt van de betreffende partij ten aanzien van het aanvullend pensioen. Toch valt er ook op dat punt echt wat te kiezen. Het is uniek in onze parlementaire geschiedenis dat zoveel partijen in hun verkiezingsprogramma een paragraaf wijden aan het tweede pijler pensioen. We kunnen stellen dat het pensioenbewustzijn bij de politiek met sprongen is toegenomen. Een rode lijn op het punt van de tweede pijler pensioenen kan ik in de verkiezingsprogramma’s niet ontdekken. Wel rijst bij menig programma bij mij de vraag: wat bedoelt u precies? Of, hoe had u gedacht dat te gaan doen? #HoeDan

Het maakt de uitslag van de verkiezingen voor ons als pensioensector extra spannend. Wat is na 15 maart 2017 nog de betekenis van de Perspectiefnota van het kabinet? Wat blijft er nog over van het enige echte actiepunt uit die nota, namelijk het afschaffen per 1-1-2020 van de doorsneesystematiek en de overstap op een degressieve opbouw? Voor ons zeer relevant, we willen immers een alternatief pensioencontract naast de bestaande contracten. Het voorschrift uit de Perspectiefnota dat in alle uitkeringsovereenkomsten een degressieve opbouw van aanspraken moet worden gehanteerd, sluit dat uit. Maar ook voornemens uit verkiezingsprogramma’s als een andere vorm van verplichtstelling of het schrappen daarvan, of het morrelen aan de huidige fiscale faciliëring maken dat de door de Pensioenfederatie geformuleerde uitgangspunten voor een alternatief contract niet vanzelfsprekend zullen worden overgenomen.

Die dreigingen kunnen aanleiding zijn om te denken dat het wellicht beter is om dan maar stil te blijven zitten. Stel nu eens dat de politiek met al zijn verdeeldheid er niet uitkomt en de rente binnenkort weer stijgt, zijn we dan niet beter af dan nu het risico te lopen dat we kwijtraken wat we willen koesteren? We gokken in dat geval twee keer. Eerst gokken we erop dat de politiek er niet uit komt en vervolgens gokken we op een rentestijging. Gokken doe je in het casino. Ik meen dat breed wordt gedragen dat je met pensioenen niet gokt.

We kunnen de dreigingen ook zien als kansen. Kansen die we kunnen grijpen om te laten zien hoe het wat ons betreft zou kunnen. Sociale partners en de pensioensector hebben na 15 maart de kans om een impasse in de politiek op dit terrein te doorbreken. Het zou jammer zijn als we die kans niet grijpen. En nee, garanties dat het goed uitpakt zijn niet te geven. Maar dat past bij de sector, garanties bestaan immers niet.

Gerard Riemen, directeur Pensioenfederatie