tweede_pijler voor themapagina

Nieuwe pensioenovereenkomst

Het Nederlandse pensioenstelsel behoort tot één van de beste kapitaalgedekte pensioenstelsels ter wereld. Toch is over het pensioenstelsel de laatste jaren discussie ontstaan. Daar liggen meerdere redenen aan ten grondslag. Veel pensioenfondsen kunnen hun ambitie niet (altijd) waarmaken. Er is weinig vertrouwen in het pensioenstelsel. De arbeidsmarkt en de samenleving veranderen snel en worden individueler. Het stelsel is gevoelig voor veranderingen in de rente en dat heeft gevolgen voor zowel ouderen als jongeren. Verder biedt het huidige pensioenstelsel relatief weinig mogelijkheden voor maatwerk en keuzevrijheid.

Toekomstige gepensioneerden worden in steeds grotere mate zelf verantwoordelijk voor hun pensioen, doordat zowel overheid als werkgevers deze verantwoordelijkheid in toenemende mate verschuiven naar de deelnemer. Steeds vaker wordt gesproken over de zelfredzaamheid van de burger. Deze ontwikkeling maakt het belangrijk dat deelnemers inzicht krijgen in hun inkomen na pensionering, de ontwikkeling hiervan na pensionering en de mate waarin dit aansluit op het verwachte uitgavenpatroon. Er is behoefte aan transparantie op dit punt. Om de kwaliteit van het tweede pijler pensioen ook op langere termijn te waarborgen, zijn daarom aanpassingen noodzakelijk, met behoud van de sterke elementen, zoals de collectieve risicodeling en de verplichtstelling.

Inzet Pensioenfederatie

De Pensioenfederatie is van mening dat er grote behoefte is aan een alternatief contract. De ontwikkeling van de dekkingsgraden bij vele fondsen, het gebrek aan perspectief bij die fondsen om op afzienbare termijn weer te kunnen indexeren, de jaar op jaar onzekerheid of er wel of niet gekort gaat worden; het zijn slechts een paar redenen om nu door te pakken. Daarnaast is er een politieke en maatschappelijke werkelijkheid die maakt dat er stappen moeten worden gezet. Het vertrouwen in het huidige stelsel is laag, de pensioencontracten zijn te weinig transparant en de doorsneesystematiek staat onder grote druk.

Sociale partners en de pensioensector hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het kabinet zal echter ook een bijdrage moeten leveren aan het in stand houden van een goed pensioenstelsel. Naast de verplichtstelling is een eenvoudige en passende fiscale facilitering voor de aanvullende pensioenen cruciaal.

Nieuws en achtergronden

Het kabinet heeft op 8 juli 2016 de Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel uitgebracht. In deze nota pleit het kabinet voor fundamentele aanpassingen van het pensioenstelsel. Daarbij stelt het kabinet dat collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling de fundamenten zijn waarop het stelsel is gebouwd en dat dit ook belangrijke uitgangspunten zijn voor de toekomst.

Vanuit die uitgangspunten meent het kabinet dat twee, in de studie van de SER van mei 2016 beschreven, prototypen-contract interessant zijn om verder te verkennen. De twee varianten zijn: het persoonlijke pensioenvermogen met uitgebreide risicodeling en de ambitieovereenkomst met collectieve risicodeling waarin aanspraken worden verdisconteerd op basis van de risicovrije rente. De Pensioenfederatie heeft beide contractvormen onderzocht op financiële, juridisch-fiscale, communicatieve en uitvoeringsaspecten. Beide prototypen zijn ook getest aan de hand van data van tien pensioenfondsen. De hoofdconclusie is dat beide onderzochte contractvarianten, hoewel die wezenlijk van elkaar verschillen, in de praktijk uitvoerbaar blijken. De Pensioenfederatie heeft de onderzoeksrapporten eind november 2016 aangeboden aan de SER. Beide contractvarianten kennen knoppen waaraan kan worden gedraaid om ze te verbeteren. Ook is een synthese denkbaar tussen de beide contractvormen denkbaar.

Het kabinet Rutte-III wil samen met de sociale partners een stap zetten naar een nieuw pensioenstelsel.
Het kabinet Rutte III geeft eind 2017 in het regeerakkoord ("Vertrouwen in de toekomst") aan dat het samen met sociale partners de stap wil zetten naar een vernieuwd pensioenstelsel. Een vernieuwing die de kwetsbaarheden in het huidige pensioenstelsel adresseert en waarmee de sterke elementen (verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning) gehandhaafd blijven. Voortbouwend op de werkzaamheden en rapporten van de SER wil het kabinet het pensioenstelsel hervormen tot een meer persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, waarbij de doorsneesystematiek wordt afgeschaft.

Afschaffing doorsneesystematiek
Het kabinet geeft voorts aan dat de zogenoemde doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Voor alle contracten wordt een leeftijdsonafhankelijke premie verplicht en krijgen de deelnemers een opbouw die past bij de ingelegde premie. Daarmee komt – als het kabinet ligt - een einde aan de herverdeling die het gevolg is van de doorsneesystematiek, wordt de pensioenopbouw transparanter en sluit het stelsel beter aan op de arbeidsmarkt. Hierbij beziet het kabinet of het fiscaal kader alleen nog op de pensioenpremie kan worden begrensd.

Nieuw pensioencontract
Een ander essentieel onderdeel van Rutte-III is het ontwikkelen van een nieuw pensioencontract. Hierbij is een rol weggelegd voor de sociale partners. Het kabinet heeft sociale partners gevraagd een pensioencontract te ontwikkelen met een persoonlijk pensioenvermogen in de opbouwfase. Bij een dergelijke regeling wordt gedurende de opbouwfase inzichtelijk wat je als deelnemer hebt opgebouwd en kan de rentegevoeligheid afnemen. Hiertegenover staat wel een collectieve uitkeringsfase met een buffer, die zorgt voor bescherming tegen onvoorziene veranderingen in de levensverwachting en schokken op de financiële markten.

Pensioenakkoord
Het kabinet en sociale partners hebben gezamenlijk afspraken gemaakt over de vernieuwing van het stelsel van arbeidsvoorwaardelijke pensioenen. De afspraken zijn op hoofdlijnen vastgelegd in een Kamerbrief van 5 juni 2019 en vragen om een nadere uitwerking. Om dat te bewerkstelligen zal het kabinet een stuurgroep instellen, bestaande uit vertegenwoordigers van sociale partners en het kabinet. Pensioenuitvoerders, toezichthouders en onafhankelijke externe deskundigen worden bij deze uitwerking betrokken.

De Pensioenfederatie is blij dat er een doorbraak is bereikt in de gesprekken van sociale partners en het kabinet over het pensioenstelsel en is van mening dat een belangrijke stap is gezet op weg naar een pensioenstelsel dat houdbaar is voor de toekomst. De Pensioenfederatie helpt graag mee bij de verdere uitwerking van deze hoofdlijnen.

Korte schets
Belangrijke elementen ten aanzien van het arbeidsvoorwaardelijk pensioen uit de brief zijn dat:

  • de doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Er wordt een fiscaal maximale, leeftijdsonafhankelijke pensioenpremie vastgesteld en er is sprake van een degressieve pensioenopbouw.
  • de afschaffing van de doorsneesystematiek gevolgen heeft voor alle bestaande pensioenovereenkomsten en voor alle werknemers, die nu pensioen opbouwen.
  • sociale partners kunnen kiezen uit twee pensioencontracten:
    1. Contract met beperkte risicodeling: Een premieregeling met persoonlijk pensioenvermogen in de opbouwfase en in de uitkeringsfase collectieve risicodeling.
    2. Contract met uitgebreide risicodeling: Een premieregeling, waarin ook in de opbouwfase sprake is van risicodeling.

Er komt één fiscaal kader voor beide pensioencontracten. Beide pensioencontracten worden premieovereenkomsten, met een leeftijdsonafhankelijke (en fiscaal gemaximaliseerde) premie. De fiscaal maximale premie wordt als het aan het kabinet ligt gebaseerd op de huidige ambitie van 75% van het gemiddeld loon in 40 jaar (80% bij 42 jaar) en is afhankelijk van de marktrente (inclusief UFR). Daarbij wordt gezocht naar een evenwicht tussen het niet te vaak aanpassen van de premiegrens en het niet te veel vertragend laten doorwerken van wijzigingen in de rente en de levensverwachting. Het premiemaximum gaat overigens ook voor derde pijler pensioen gelden.

Voor beide pensioencontracten geldt dat het beleggingsbeleid moet aansluiten bij de risicohouding van de deelnemer(s). Hierbij kunnen beleggingsopbrengsten en -risico’s leeftijdsafhankelijk worden toebedeeld aan de deelnemers. Dit kan bijvoorbeeld expliciet, door het beleggen via een lifecycle (leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid) of bijvoorbeeld impliciet door de fondsrendementen en –risico’s leeftijdsafhankelijk toe te delen aan de deelnemers, slapers en gepensioneerden.

Uitwerkingsvragen
De uitwerkingsvragen waarover de stuurgroep zich zal buigen betreffen:

  • de nadere invulling van de voorgestelde pensioencontracten en
  • de uitwerking van het transitiekader voor de overgang naar een vernieuwd pensioenstelsel.

Het uitgewerkte transitiekader moet sociale partners en pensioenuitvoerders handvatten bieden ten aanzien van onder meer de waarderingsregels voor de omzetting van bestaande pensioenaanspraken en -rechten in een nieuw contract, de verplichtingen die gaan gelden ten aanzien van de compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek, de fiscale mogelijkheden die het kabinet daarbij biedt, het zoveel als mogelijk beperken van de (Europeesrechtelijke) juridische risico’s voor pensioenuitvoerders en de te hanteren ingangs- en overgangstermijnen en ingroeipaden. Bij de uitwerking zal ook nadrukkelijk gekeken worden hoe de kosten in het nieuwe stelsel beperkt kunnen worden.

Vervolgproces
In het najaar van 2019 wil minister Koolmees de Tweede Kamer informeren over de voortgang van de uitwerking van de hoofdlijnen van het pensioenakkoord. Vervolgens neemt het kabinet de wet- en regelgeving ter hand die nodig is voor de vernieuwing van het pensioenstelsel. Het gaat hierbij om aanpassing van de wettelijke en fiscale kaders voor het arbeidsvoorwaardelijk pensioen in de tweede pijler. Het kabinet heeft de ambitie om met ingang van 2022 een wettelijk kader gereed te hebben.

Openbare documenten