columns

Column: De weduwe terug aan de poort?

De tijden veranderen maar het verlies aan inkomen in een huishouden als de verdienende partner overlijdt, is van alle tijden. Naast het verdriet is er in de nodige situaties ook de schrik over de terugval in het gezinsinkomen dat niet wordt opgevangen door de overheid of de pensioenuitvoerder.

Het CDA en de CU wijzen in een initiatiefnota die ze op 13 juli 2018 aan de Kamer hebben aangeboden op de problemen die er zijn bij het nabestaandenpensioen. Terecht wordt in de nota opgemerkt dat de oorsprong van het pensioen juist het opvangen van het verlies van het inkomen van de kostwinner is. Werkgevers wilden af van de huilende weduwe aan de poort. De auteurs van de initiatiefnota zijn wat selectief in het winkelen in de geschiedenis van het nabestaandenpensioen. De redenen waaróm de afgelopen twintig jaar het nabestaandenpensioen een lappendeken is geworden, worden niet genoemd.

Tot aan het einde van de jaren negentig was het nabestaandenpensioen een pensioen op kapitaaldekkingsbasis. De jaren negentig waren de jaren waarin de politiek stevig inzette op de emancipatie van de vrouw. Iedereen geboren na 1994 zou economisch zelfstandig moeten zijn. Het nabestaandenpensioen zou daarmee overbodig worden. De AWW ging op de schop. En onder leiding van D66 werd de aanval ingezet op de solidariteit tussen alleenstaanden en gehuwden in de pensioenregelingen. In de PSW werd wettelijk geregeld dat je het recht kreeg je aanspraken op nabestaandenpensioen om te zetten in een hoger ouderdomspensioen (art. 2b PSW). Dit wettelijk recht op omzetting dreef de kosten van de pensioenregelingen stevig op. Tegelijkertijd was eind 1997 in het pensioenconvenant tussen sociale partners en het kabinet afgesproken dat de kosten van de aanvullende pensioenen niet zouden stijgen. Er was een uitweg mogelijk. Als het toekomstige nabestaandenpensioen op risicobasis werd gedekt, zouden de kosten van de pensioenregelingen juist dalen. Het kabinet vond dat een mooie uitweg. De afspraken in het convenant konden worden nagekomen en de versobering van het nabestaandenpensioen (want dat was het natuurlijk) paste in een maatschappelijke trend.

De tijden zijn veranderd. Het emancipatievuur is getemperd en het streven naar economische zelfstandigheid van ieder individu is achter de horizon verdwenen. Het aantal nabestaanden dat wordt geconfronteerd met de gevolgen van een nabestaandenpensioen op risicobasis stijgt. Het aantal schrijnende situaties zoals die in de initiatiefnota worden beschreven neemt dan ook toe. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, toen er in 2014 door de wijziging van het Witteveenkader premieruimte vrijkwam, op diverse cao-tafels werd geprobeerd uit die ruimte het nabestaandenpensioen te verbeteren. Het werd hen niet in dank afgenomen. Onder aanvoering van D66 werd door het kabinet en de Kamer stevig druk uitgeoefend om de premievrijval te vertalen in lagere premies.

Ik denk dat maar weinig partijen tevreden zijn met de huidige situatie. De overheid heeft zich met de introductie van de ANW vergaand terug getrokken als het gaat om het dekken van het overlijdensrisico. Onder druk van diezelfde overheid hebben de sociale partners stappen gezet om, via het versoberen van het nabestaandenpensioen, de kosten van de pensioenregeling te verminderen. Het paste in de tijdgeest, nu wringt het. Pogingen om het nabestaandenpensioen te verbeteren, werden tot voor kort niet gewaardeerd. De auteurs van de initiatiefnota wijden één zin aan de financiële consequenties van hun voorstellen. Die zijn er volgens hen niet. Maar voor niets gaat de zon op. Verbetering van de nabestaandenpensioenen kost wel degelijk geld. Willen we knelpunten in het nabestaandenpensioen aanpakken dan moet dat in gezamenlijkheid. Daarbij is een open dialoog tussen overheid en sociale partners over wie waarvoor verantwoordelijk is en wie de rekening kan betalen noodzakelijk.

Gerard Riemen, algemeen directeur Pensioenfederatie