Nieuw pensioencontract

In 2019 en 2020 is een nieuw pensioen'contract' uitgewerkt. De uitwerking betekent dat er veel gaat veranderen in het pensioenstelsel. De nieuwe regels moeten in 2021 en 2022 eerst worden vastgelegd in de wet. Dan volgt er een overgangsperiode. Waarschijnlijk gaan de nieuwe regels vanaf 2024 of 2026 in.

Reden voor aanpassing

Er is de afgelopen decennia veel veranderd in onze samenleving. Mensen worden steeds ouder, terwijl de premie die zij betaalden daar niet op was bepaald. Er zijn veel minder werkenden ten opzichte van gepensioneerden, dus de premie iets verhogen werkt niet. De manier waarop pensioen wordt opgebouwd gaat er nu van uit dat mensen hun hele leven bij één werkgever blijven. Maar zij veranderen nu veel vaker van werk of gaan ondernemen. Bovendien is het huidige stelsel erg gevoelig voor schommelingen in de rente. De manier waarop berekend wordt of pensioen kan worden uitgekeerd of bewaard moet blijven voor toekomstig gepensioneerden, wordt nu bepaald door de rente.

Dit wordt anders

In het nieuwe stelsel komt er een duidelijker verband tussen het pensioen, het geld dat tijdens de opbouwfase opzij is gezet, en de stand van de economie:

  • Werkenden en gepensioneerden krijgen duidelijker inzicht in het opgebouwde vermogen, en het verwacht pensioen dat daar bij hoort. Het geeft een verwachting voor een pensioenuitkering na economisch goede en slechte tijden.
  • De systematiek is aangepast waardoor de pensioenen en uitkeringen eerder kunnen meebewegen met de stand van de economie dan nu het geval is. Er wordt minder geld in een ‘buffer’ bewaard. Dus als het economisch goed gaat, gaat het pensioen eerder omhoog. Gaat het economisch minder, dan gaat het eerder omlaag. Maar schommelingen worden wel zo goed mogelijk opgevangen en gedeeld. Daardoor blijft het pensioen ook een leven lang gegarandeerd.
  • De premie schommelt niet. Die blijft stabiel: een belangrijke zekerheid voor deelnemers, maar zeker ook voor werkgevers die vaak de helft tot twee derde van de premie betalen.

De koopkracht van pensioenen kan in het nieuwe stelsel in hoge mate stabiel blijven dankzij drie afspraken:

  1. Naarmate mensen ouder zijn, wegen mee- en tegenvallers minder zwaar mee. Pensioengerechtigden merken hier dus veel minder van dan jongere generaties die nog hun hele leven aan opbouw kunnen werken.
  2. Mee- en tegenvallers kunnen in de tijd worden gespreid. Financieel slechte jaren worden hierdoor gecompenseerd door goede jaren.
  3. Pensioenfondsen houden – naast de vermogens die voor de pensioenen worden aangehouden – een collectieve solidariteitsreserve (‘buffer’) aan. Daarmee kunnen risico’s beter worden gedeeld.
Dit blijft hetzelfde

Niet alles wordt anders; belangrijke zaken uit het oude systeem blijven behouden. Werkgevers en werknemers zetten straks nog steeds samen geld opzij voor later. Ook blijft het een levenslang pensioen. Solidariteit is nog steeds een belangrijk uitgangspunt, zodat de risico’s worden gedeeld en daardoor lager zijn voor het individu. Ook de verplichtstelling blijft, zodat zoveel mogelijk mensen via hun werkgever pensioen automatisch opbouwen. De huidige hoogte van de pensioenen blijft het uitgangspunt. En dit gaat allemaal niet over de AOW, die blijft onveranderd.

Overgang

De nieuwe regels gaan gelden voor alle pensioenen. Ook voor het pensioen waarvoor al jarenlang geld opzij gezet is, en ook voor het pensioen van de huidige gepensioneerden. In de overgang is het belangrijk dat er geen pech- en gelukgeneraties gaan ontstaan. Er is daarom goed gekeken hoe het voor verschillende groepen uitpakt.

Er is in dit pensioenakkoord uit 2019 ook aandacht voor thema’s zoals het belang van duurzame inzetbaarheid, de bijzondere positie van mensen die zwaar werk verrichten, en van mensen die geen pensioen opbouwen bij hun werkgever.